Mischa

-
Mischa was een schattige kleine zilvergrijze poedel, lieveling van oma.

Mischa (die eigenlijk zilvergrijs was)

Nu zijn poedels, schattig of niet, uitgesproken vinnig, bezitterig ook. Mischa bestond het om iedereen in de schoenen te bijten die zijn bazin te na kwam al was het maar met één vinger.
Oma vond het prachtig, een mannelijk wezen dat pal stond voor haar welzijn, waar vond ze dat? Als toegift ging hij bij het plassen  op zijn voorpootjes staan. Geen man die dat voor haar zou doen!
Nu was dat mannelijke betrekkelijk:  Mischa had, zoals oma iedereen graag liet zien, een testikeltje te weinig. ‘Zie je wel?  Maar één balletje, hij is misfokt maar wááks!’  Ter compensatie breide ze hem een jas en schonk hem af en toe een glaasje advocaat want daar sliep hij zo goed op.
Tja, nou. Na het nuttigen viel hij bezwijmd op z’n  zij en was uren buiten westen.
Toen oma voor een overwintering vertrok, kregen wij Mischa in huis, voor drie maanden.
Uiteraard wilden we hem geen advocaat voeren maar het jasje was nodig doordat ze hem volledig kaal had laten trimmen.
Zo liep ik met hem door het dorp; typisch mannetje als hij was plaste hij bij elke struik, boom en lantaarnpaal,  op zijn voorpoten en druppelend langs zijn jasknopen en kin.
Je had de gezichten van de passanten moeten zien; Mischa en ik (echtgenoot wilde er niet mee gezien worden) hielden het dorp de hele winter in de ban tot oma weer terugkwam.
Ze breide een  nieuwe jas en waste zijn kinnetje;  voerde hem advocaatjes.
Showde zijn halve mannelijkheid. (‘...maar wááks!)
En werden samen oud.


Hondjes (slot)

-
Toen werd de donkere pas echt kwaad; hij stompte links en rechts naar de lichte en het kind en raakte niet alleen hondse maar ook menselijke onderdelen.
Het kind liet zich niet onbetuigd en stompte terug, al harder schreeuwend: ‘Een dolle hond, dolle hond’, hij krabde zowat de vlekken van de rug van de donkere en van alle kanten kwamen mensen aanrennen, mobieltje aan de oren, de sirenes klonken al in de verte. Het was een sensatie een wakkere krant waardig.
Tijdens de drukte om het kind te redden kwam de hondenbaas naar buiten, onder zijn arm het boek:  De gehoorzame hond.
Hij overzag het front en ontmoette de blik van de donkere die een heimelijke wenk naar achteren gaf. Hij sloop naar de vastgeknoopte riemen en maakte ze los. Op de hurken, met de gehavende staarten naar beneden, kropen ze naar een onopgemerkt weggetje achter de menigte en toen zetten ze de sokken erin; als hazewinden flitsten ze gedrieëen door de straten, al maar rennend tot ze thuis waren.
Daar maakt hun baas de halsbanden los en gaf ze als troost een bak doggies-verkeerd waarbij de brokken smakelijk in een vet sjuutje dreven.
‘Voor die ene keer jongens. Morgen doen we weer normaal, oké?’
De licht likte zijn hand.
De donkere kokhalsde.  ‘Slijmerd’.

© Bertie
-


Hondjes 1

-
Oud verhaaltje uit eerste weblog, 2005
-
Er zaten twee honden te wachten, vastgebonden aan het fietsenrek bij de bibliotheek.
Het waren kleine beestjes, de een was wit met ‘n lichtbruin gevlekte rug en de ander was  donkerbruin.
Met hun spitse oortjes, snuitjes en tandjes zagen ze er aantrekkelijk uit en bijna alle mensen die langs liepen waren vertederd, aaiden of tuttelden, maar de hondjes reageerden met matig enthousiasme. Ze hielden niet zo van dat gepoezel.
Het duurde nogal lang en na een kwartier werd de donkerbruine, die altijd al

...ging staan...

slecht luisterde, ongedurig.  Chagrijnig ging hij staan.
‘Hela ouwe, ‘ blafte hij naar de ingang, ‘komt er nog wat van’?
‘Hé joh’ jankte de lichtbruine die ‘n beetje kruiperig was, ‘niet doen, dat mag niet…’
‘Och jij, schijterd’ en hij blafte weer.  ‘Schiet es op baas, hoe lang duurt het nog?’
‘Ooooo, wat ben jij brutaal, dat ga ik straks vertellen, moet je zonder eten naar je nest’. De lichte watertandde al, hij voorzag een dubbele portie brokken.
De donkere draaide zich geërgerd om, en passant naar een flemend kind grauwend.
‘Hebberige klikspaan, moet je een schop?’ en hij trapte met zijn achterpoot naar de flank van de lichte.

...bangerik...

De lichte greep naar zijn zij, hoehoe-oe-oe-huilend van de pijn en een duet vormend met het geschrokken kind dat kwaad blèrend de donkere aan zijn staart trok.

Morgen het slot.
-


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.